Overige beoordelingen
Aanwijzingsprocedure NederlandAssociate-degreeprogramma'sEducatieve minorHBO5Joint degreesNationaal Kwalificatieraamwerk Hoger OnderwijsOnderzoeksmastersOpleidingsschoolVerlengde mastersOverige regelingenDownloads bij deze pagina
Beoordelingscriteria Educatieve Minor Brief OCW Educatieve Minor 20 maart 2009 Brief OCW Educatieve Minor 5 juni 2009Educatieve minor

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de NVAO verzocht om advies uit te brengen over de kwaliteit van de plannen van de universiteiten voor educatieve minoren.
De NVAO heeft daarvoor beoordelingscriteria uitgewerkt in een beperkt kader aan de hand waarvan het panel de plannen kan beoordelen (zie rechterzijde van deze pagina). Uitgangspunt voor het advies van de NVAO is dat een door deskundigen uit te voeren toetsing overtuigend moet aantonen dat studenten die via de educatieve minor worden opgeleid, voldoen aan de wettelijk vastgelegde bekwaamheidseisen. Er mag immers geen twijfel bestaan over de vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische bekwaamheden van de aldus opgeleide studenten.
In juli 2009 heeft de NVAO haar advies over de aanvragen van universiteiten die in 2009-2010 educatieve minoren willen aanbieden, verstrekt aan de staatssecretaris van Onderwijs. Tien universiteiten hebben van de staatssecretaris toestemming gekregen om de minor te starten. Tilburg, Maastricht en de Open Universiteit dienden geen aanvraag in.
De minor van de Erasmus Universiteit start in 2010.
Instellingen die vanaf 2010-2011 een educatieve minor willen organiseren, kunnen op een ander moment een aanvraagdossier indienen.
Werkwijze
Van de negen universiteiten met een ULO is de basiskwaliteit van deze opleidingen(en) gegarandeerd. Dat betekent dat de advisering over de educatieve minor zich bij deze universiteiten beperkt tot de inhoud van het cursorische gedeelte en de praktijkstage.
Vijf andere universiteiten organiseren (nog) geen lerarenopleiding. Hier ontbreken vooralsnog garanties dat deze universiteiten beschikken over de specifieke expertise en het scholennetwerk om de educatieve minoren met voldoende basiskwaliteit te verzorgen. Een uitgebreidere toetsing is daarom noodzakelijk.
Voor de instellingen die een ULO hebben en die deze een belangrijke rol geven bij opzet en verzorgen van de educatieve minoren, kan het aanvraagdossier beperkt blijven tot een beschrijving van de eindkwalificaties (afgeleid van het in VSNU-verband vastgestelde kader), de vertaling daarvan in het 30 ECTS-programma en een overzicht van het daarbij in te zetten personeel. Tevens moet op basis van de door OCW vast te stellen "verwantschapstabel" worden aangegeven voor welke leraar (bevoegdheid) elke minor is ontwikkeld.
Voor de instellingen die geen ULO hebben, moet in het aanvraagdossier ook aandacht zijn voor de bijkomende facetten uit het kader. Deze instellingen moeten aantonen dat de nodige expertise in huis is (of wordt ingehuurd ) om de vakdidactiek in de minoren voor de verschillende schoolvakken gestalte te geven.
