Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieQ&ANVAO NieuwsbriefVraag en antwoordRSS FeedsToespraken & Artikelen
"Dreams, Nightmares or Reality? The Q.A.-agencies and the internationalisation of quality assurance", toespraak NVAO-voorzitter Karl Dittrich tijdens jaarlijkse conferentie Universidad Internacional Menéndez Pelayo en ANECA, Santander, 7 juli 2009
Het gesproken woord geldt.
Waarde collega's,
De jaarlijkse conferentie van de Universidad Internacional Menéndez Pelayo en ANECA, hier in Santander, begint een begrip te worden in de kringen van diegenen die zich met kwaliteitszorg en internationalisering bezig houden. Het is daarom voor mij ook een eer hier te mogen komen spreken. Het is echter tevens een uitdaging, omdat een gezelschap van kwaliteitszorgers de lat natuurlijk hoog legt en de sprekers daaraan moeten proberen te voldoen.
Maar het is ook een kans, omdat dit gezelschap van deskundigen en geïnteresseerden een forum biedt voor de ontwikkeling van nieuwe ideeën en voor het formuleren van conclusies en aanbevelingen over het verleden, het heden en de toekomst van de kwaliteitszorg in Europa.
Ik ben van plan dat laatste vandaag te doen, omdat ik uitgedaagd door de titel van dit deel van de workshop een aantal scenario's wil schetsen over de toekomst van de kwaliteitszorg, over de toekomst van de kwaliteit van ons hoger onderwijs en over de rol van internationalisering. Ik zal ook een persoonlijke conclusie trekken maar ik teken daarbij aan dat ik nog niet uitgedacht ben. Ik daag u dus ook uit en roep op tot tegenspraak en aanvullingen.
1. Inleiding
Slechts weinigen zullen een tiental jaren geleden, na Bologna 1999, hebben durven voorspellen dat die verklaring zo'n enorm effect zou krijgen: de invoering van een systeem van drie cycli, de ontwikkeling van externe kwaliteitszorg, de Europawijde toepassing van European Credit Transfer points, het gebruik van het Diplomasupplement, de ontwikkeling van het European Qualification Frameworks en de daarop gebaseerde nationale Qualification Frameworks, en tenslotte de oprichting en ontwikkeling van een Europees Register voor Kwaliteitszorgorganisaties. Bologna en de opeenvolgende conferenties in Praag, in Berlijn, Bergen, Londen en Leuven, hebben dus een enorm succes gehad en dat is op zijn minst bewonderens-waardig!
Tegelijkertijd is het lang niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Hoewel de tweejarige Stocktaking Reports vooral de indruk geven dat veel landen hun zaken goed voor elkaar hebben, weten de insiders wel beter. De Stocktaking is immers gebaseerd op de rapportages door de landen zelf en dit is absoluut een van de redenen dat de bril waarmee gekeken is, wel erg rooskleurig is. Wij allen weten immers dat er nogal wat aan te merken is op bijvoorbeeld de invoering van het bachelor-masterstelsel, omdat een aantal landen de invoering ervan alleen wettelijk geregeld heeft en er in de praktijk van de opleidingen vrijwel niets veranderd is. Wij weten ook dat de in een aantal landen voorkomende binariteit tussen een academische en een professionele oriëntatie, problemen van aansluiting en erkenning oplevert.
En we weten natuurlijk drommels goed dat de diversiteit van de in Europa gesproken talen de mobiliteit van studenten en docenten sterk bemoeilijkt. Er is kortom nog heel veel te doen voordat er sprake is van één echte Europese Hoger Onderwijsruimte. De vraag is overigens of die ruimte ooit gerealiseerd zal kunnen worden en zelfs of die ene ruimte wel wenselijk is. Met dit vraagstuk kan men op een aantal manieren omgaan. Twee van die manieren zal ik in het vervolg beschrijven, waarna ik daar een eigen waardering over zal geven. Het gaat dus om een persoonlijke opvatting, niet over de opvatting van de NVAO, laat staan die van het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs en zeker niet die van de Nederlandse en Vlaamse ministers van Onderwijs.
2. Europa boven alles
Er is in Europa een toenemende groep enthousiastelingen te vinden voor het realiseren van een echte Europese Hoger Onderwijsruimte. Het enthousiasme daarvoor wordt door sommigen zeer sterk gevoed vanuit concurrentieoverwegingen. Europa wordt gezien als concurrent van de V.S. en de sterk opkomende grootmachten uit Azië, en alleen een hechte samenwerking op de terreinen van onderzoek en onderwijs geeft Europa een kans om te concurreren. Het enthousiasme voor een Europese Hoger Onderwijsruimte wordt ook gevoed door supranationale en soms zeer idealistische denkers die vanuit één arbeidsmarkt en één samenleving redeneren en van daaruit willen komen tot versterking van onderwijs en onderzoek over grenzen heen. Dat kan tot vreemde allianties leiden:
- werkgevers proberen via "Quality Labels" invloed te krijgen op de inhoud van programma's en zo de maximale afstemming tussen de vraag van de arbeidsmarkt en de inhoud van het onderwijs te realiseren;
- instellingen en opleidingen proberen een grotere mate van autonomie te bereiken door de invloed van de nationale wet- en regelgeving ondergeschikt te maken aan die van de supranationale wet- en regelgeving, die per definitie moeilijker te controleren is;
- bepaalde landen proberen een "sprong voorwaarts" te maken door de externe kwaliteitszorg niet op nationale leest, maar op internationale leest te schoeien: het Register als "lijst van betrouwbare kwaliteits-zorgorganisaties" is daartoe een goed instrument;
- neo-liberalen, die overigens in alle partijen vertegenwoordigd zijn, zien het hoger onderwijs als een open markt, waarin met de grootst mogelijke vrijheid geconcurreerd zou moeten worden om de gunst van de student als consument;
- Europarlementariërs, Eurocommissarissen en ook de Raad van Europa zijn voorstanders van vergroten van de macht van Europa tegenover de macht van de lidstaten.
Deelt men een of meer van deze standpunten, dan is de internationalisering van de kwaliteitszorg slechts een kwestie van tijd en zal het Europese register gezien worden als het kwaliteitsbewakende element: organisaties die op het Register staan vermeld, zouden dan in beginsel in elk land en elke hogeronderwijsinstelling moeten kunnen accrediteren, waarna de rechtsgevolgen door alle landen zouden moeten worden geaccepteerd. Dat is een opvatting die in Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en mogelijk enkele Oost-Europese landen wordt gestimuleerd, door pan-Europese organisaties als EQUIS wordt nagestreefd en door sommige andere Quality-labels wordt ondersteund. Zou deze lijn in Europa de overhand krijgen, dan gaan we ook op weg naar één Europese ruimte voor kwaliteitszorgorganisaties en is het zaak om zo snel mogelijk op het Register te komen!
3. Hoger onderwijs is een nationale zaak
Tegelijkertijd is in Europa een andere stroming tot ontwikkeling aan het komen, die de nadruk legt op het primaat van het eigen nationale stelsel van hoger onderwijs en het daarbij horende nationale kwaliteitszorgstelsel. Deze stroming wordt enerzijds gesteund door een zekere houding van Euroscepsis, waarbij Europa wordt verweten zich teveel te gaan bemoeien met die domeinen die traditioneel tot het nationale domein behoren. Men zou deze opstelling kunnen beschouwen als ingegeven door anti-Europese sentimenten- en dus niet gebaseerd op overwegingen van kwaliteit-, maar anderzijds gelden ook heel eenvoudige, op het behoud en mogelijk versterken van het eigen hoger onderwijs, ingegeven overwegingen.
Nederland en Vlaanderen kiezen thans met volle overtuiging voor deze lijn, waarbij tegelijkertijd in beide landen vol wordt ingezet op zo krachtig mogelijke internationalisering. Deze opstelling getuigt dus niet van isolationisme, maar van een betrekkelijk ideologische afweging tussen Europa en de eigen staat en van een oprechte poging de kwaliteit van het hoger onderwijs zo hoog mogelijk te houden, in internationaal perspectief.
Nederland en Vlaanderen propageren internationalisering, niet door de kwaliteitszorg een internationale aangelegenheid te laten zijn, maar door te wijzen op de noodzakelijke internationalisering van de inhoud van het onderwijs, de uitgaande en binnenkomende mobiliteit van studenten, de samenstelling en ervaring van het onderwijzend personeel, het gebruik van internationale literatuur en het in examens en theses laten doorklinken van de internationale context van de discipline of het beroep waarvoor men opgeleid wordt.
Voor de beoordelende kwaliteitszorgorganisaties betekent dit een zwaar accent op internationalisering, zowel tot uiting komend in het beoordelingskader als in de samenstelling van de beoordelende panels. Dat kan natuurlijk ook in andere dan nationale kwaliteitszorgstelsels het geval zijn en het biedt zeker geen garantie voor een sterkere internationalisering dan in die andere stelsels, maar het is op zichzelf een valide uitgangspunt dat niet tot nationalistische tendensen hoeft te leiden.
4. Een persoonlijke overweging
Als voorzitter van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie zie ik mij met een aantal trends en opvattingen geconfronteerd:
- Nederland en Vlaanderen zijn beide extreem open economieën en samenlevingen die volstrekt afhankelijk zijn van handel, dienst-verlening, logistiek en kennis. Dat vergt een open houding naar de internationale wereld. Daar komt bij dat beide landen in feite multiculturele samenlevingen zijn en dat deze constatering vergt dat in het onderwijs aandacht wordt geschonken aan "samenleven van verschillende culturen en opvattingen". Internationalisering en multiculturaliteit zijn voor Nederland en Vlaanderen geen idealen, maar zijn dagelijkse realiteit. Het onderwijs speelt daarin een toonaangevende rol;
- Nederland en Vlaanderen hebben een geschiedenis van 20 jaar met externe kwaliteitszorg. De sector hoger onderwijs is bekend met evalueren en beschouwt dat als een normale zaak, terwijl tegelijkertijd natuurlijk altijd gewezen wordt op de gevaren van bureaucratisering en te hoge kosten, die afleiden of ten koste gaan van het primaire proces;
- het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs staan bekend als kwalitatief goed; in beide landen bestaat grosso modo grote tevredenheid over het niveau van de afgestudeerden en de arbeidsmarkt neemt de afgestudeerden met gemak en met tevredenheid op. Minpunten zijn de in Nederland wel eens doorschietende onderwijsvernieuwing die de neiging heeft de nadruk te sterk te leggen op het verwerven van vaardigheden ten koste van kennis, terwijl het in Vlaanderen wel eens schort aan internationalisering en soms te veel nadruk wordt gelegd op het reproduceren van kennis;
- er bestaat in Nederland een latente houding van afkeer tegen een grotere invloed van Europa: ook de politici zijn daarmee behept en geven af en toe uiting aan deze gevoelens. Er wordt met grote argwaan gekeken naar alle initiatieven die Europa een grotere invloed lijken te geven in het onderwijs. Begrijp me goed, het gaat hier niet om een anti - internationaliseringshouding, maar puur om het beschermen van een belangrijk collectief goed tegen wat beschouwd wordt als bureaucratie, regelzucht en de neiging tot uniformering.
Deze context maakt helder dat de NVAO in elk geval door de Vlaamse en Nederlandse overheden niet gedwongen zal worden om de eerste door mij geschetste lijn te kiezen. De tweede lijn ligt veel meer voor de hand en hoewel de NVAO een van de eerste drie organisaties was die toegelaten werd tot het register, hebben wij geen enkele ambitie om enige activiteit te gaan ontplooien buiten onze thuisbasis, behalve wanneer het zou gaan om het beoordelen van joint degrees en van outreach-programma's, dat wil zeggen door Nederlandse of Vlaamse hogeronderwijsinstellingen aangeboden programma's in het buitenland.
Ik voeg echter nog een, in eerste instantie nogal arrogant klinkend argument toe aan de Nederlands - Vlaamse context, en dat is de bewaking van de kwaliteit van het aan onze studenten te leveren onderwijs. Naarmate ik langer rondloop in de wereld van de Europese kwaliteitszorg raak ik er meer en meer van overtuigd dat onze kwaliteitszorgstelsels te veel nadruk leggen op processen en procedures en te weinig op inhoud en resultaten.
Dat is ook niet vreemd omdat processen en procedures nu eenmaal gemakkelijker - en ook objectiever - te beoordelen zijn. En er is ook wel het een en ander te zeggen vóór de aandacht voor de meer formele kanten van kwaliteitszorg, omdat goede processen en procedures de kans op goede resultaten nou eenmaal groter maken. Maar het is geen garantie en ik heb in onze NVAO-praktijk inmiddels voorbeelden gezien van prachtige kwaliteitszorgstelsels die tot uitgebreide management-informatie leidden op allerlei punten, behalve op één: voldoen onze studenten bij hun afstuderen aan datgene wat beschouwd kan worden als het internationaal aanvaarde niveau van bachelor of master?
Op dat punt schieten veel kwaliteitszorgstelsels nog te kort en ik betwijfel zeer of in stelsels waarin de verantwoordelijkheid voor het toezien op het behaalde niveau in de opleidingen bij de instellingen zelf wordt gelegd, voldoende aandacht aan het gerealiseerde eindniveau wordt gegeven.
Zo hebben wij inmiddels tal van voorbeelden van masters die door Engelse universiteiten zijn geaccrediteerd en die niet door onze Nederlandse toetsing heen zijn gekomen. In dergelijke stelsels kan accreditatie verworden tot handel en handel is een heel eenvoudige tweezijdige actie: de een betaalt en de ander krijgt het gewenste product.
Het is niet alleen tegen die soort handel dat ik me zeer verzet, maar mijn voorzichtigheid tegen het al te zeer openstellen van de Europese Hoger Onderwijsruimte komt ook voort uit argwaan tegen stelsels die wellicht wel op papier bestaan, maar waarvan nog niemand de praktijk heeft gezien. Om maar eens man en paard te noemen. Kent u het Italiaanse systeem van externe kwaliteitszorg? Dat van Griekenland misschien? Dat van de landen in het voormalige Joegoslavië? Dat van Rusland? Begrijpt u het nieuwe Duitse systeem of dat van de Franse universiteiten? Bent u er dan wel van overtuigd dat uw studenten in deze landen de noodzakelijke kennis opdoen en niet alleen de overigens ook belangrijke generieke competenties als kunnen omgaan met andere culturen? En bent u er dan ook van overtuigd dat studenten uit deze landen een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan het onderwijsproces als zij in uw land of hogeronderwijsinstelling onderwijs komen volgen?
Ik ben dus inmiddels een overtuigd aanhanger om het accent in de externe toetsing op het bereikte niveau van de "learning outcomes" te leggen en om uiterst kritisch om te gaan met grote stappen in de richting van de internationalisering van de kwaliteitszorg. Ik denk dat er in Europa inmiddels een situatie is ontstaan van twee of misschien wel drie snelheden als het gaat om de erkenning van de kwaliteit van het hoger onderwijs. In de eerste groep zitten de landen met een traditie op het terrein van externe kwaliteitszorg met inbreng van internationale deskundigen, waardoor de beoordeling van het door studenten bereikte niveau naar internationaal geaccepteerde maatstaven plaatsvindt. Naar mijn stellige overtuiging bevinden Nederland en Vlaanderen zich in deze kopgroep en wij zijn vast van plan dat zo te houden en nooit en te nimmer concessie te doen aan het kwaliteitsniveau van onze opleidingen!
5. En de stakeholders dan?
Leidt mijn opstelling nu tot isolationisme of een zelfgenoegzaamheid die tot kwaliteitsverlies zou kunnen leiden? Ik heb me dat serieus afgevraagd en daarom geprobeerd te redeneren vanuit de positie van de verschillende stakeholders:
- Voor studenten geldt mijns inziens dat zij alleen maar gebaat zijn bij het nastreven van de hoogst mogelijke kwaliteit van onderwijs, passend bij hun ambities en capaciteiten. Onmisbaar daarbij is een stevige mate van internationalisering, vorm gegeven en toegespitst op het domein van hun opleiding.
- Voor werkgevers in het publieke en private domein geldt dat zij gebaat zijn met afgestudeerden die beschikken over een zo hoog mogelijk niveau van kennis, vaardigheden en attitudes. Dat betekent m.i. dat werkgevers betrokken moeten worden bij de inhoud van beroepsopleidingen zonder dat zij daarbij op de stoel van de opleidingen gaan zitten!
- Voor instellingen en opleidingen zelf geldt dat zij de inhoud en de onderwijsmethodiek moeten stoelen op actualiteit, kennis, studie-inzet, het vergroten van "nieuwsgierigheid" en een attitude van blijvend leren. Internationalisering lijkt mij een vanzelfsprekendheid, maar wel eentje die gebaseerd is op kwaliteitsvolle samenwerking. Daarvoor is internationale samenwerking in kwaliteitszorg noodzakelijk!
- Voor landen tenslotte geldt dat zij in eerste instantie hun ambitieniveau moeten willen bepalen: is men tevreden met een in nationaal perspectief aanvaardbaar niveau of streeft men naar een hoger niveau? Wil men een gelijkheid van niveau tussen de instellingen voor Hoger Onderwijs handhaven of streeft men naar differentiatie in niveaus? Wordt het hoger onderwijs ondergeschikt aan onderzoek of is men bereid genoegen te nemen met een minder zichtbare positie in de research-rankings? Is internationalisering vitaal voor de samenleving of wil men slechts lippendienst bewijzen? Als de ambities duidelijk zijn, heeft men daar dan ook de benodigde financiële middelen voor over?
In het bepalen van een realistisch ambitieniveau ligt natuurlijk voor een groot deel de sleutel voor de te bereiken kwaliteit van het onderwijs. En daarbij moet niet om de haverklap verwezen worden naar onbereikbare doelstellingen. Nederland en Vlaanderen bijvoorbeeld kennen geen Harvard en zullen dat ook nooit bereiken. Maar het gemiddelde niveau van het hoger onderwijs in onze landen ligt aanzienlijk hoger dan dat in de V.S. en dat is een uitstekend resultaat, waar onze samenlevingen optimaal van profiteren. Ik preek dus realisme, maar zeker ook ambitie: leg de lat zo hoog als mogelijk met de beschikbare middelen en in de relevante nationale context!
6. Afsluiting
Waarde collega's, ik sluit af. De gewenste internationalisering van de kwaliteitszorg kent vele mogelijke gedaanten. Er is niet één vanzelfsprekende koers. Veel hangt af van het ambitieniveau van een land en de hogeronderwijsinstellingen daarbinnen.
Ik pleit voor een terughoudende koers als het gaat om openstellen van nationale grenzen voor Europese of nog meer internationale kwaliteitszorgorganisaties. Mijn terughoudendheid komt voort uit beduchtheid: beduchtheid voor kwaliteitsverlies. Onderwijs is het belangrijkste instrument voor individuele ontplooiing en economische en sociaal-culturele stabiliteit en welvaart. Het belang van onderwijs vergt een zorgvuldige afweging over het te bereiken kwaliteitsniveau.
Vooralsnog ben ik daarom voorstander van een strenge bescherming van het nationale hoger onderwijs en de nationale kwaliteitszorgstelsels met de opdracht om te komen tot zinvolle internationale samenwerking. Als die samenwerking dan gebaseerd is op het vastleggen en bewaken van een hoog niveau van kwaliteit, dan komen we stappen verder. Waarde collega's, dat lijkt mij het meest waardevolle begin van een tweede fase van Bologna!
Ik dank u zeer voor uw aandacht.
