Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
'Kwaliteit, inhoud en niveau in het HBO-onderwijs: een uitdaging voor de HAN', toespraak NVAO-voorzitter Karl Dittrich tijdens opening Hogeschooljaar 2008-2009 bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, 28 augustus 2008
Alleen het gesproken woord geldt.
Waarde aanwezigen,
Ik voel me vandaag buitengewoon op mijn gemak. Er zijn ingewikkelder klussen te klaren dan te spreken bij de opening van het hogeschooljaar van de HAN. U doet het immers goed: de kwaliteit van het onderwijs is aan de maat, er zijn voldoende initiatieven en resultaten op het terrein van het onderzoek en de noodzakelijke verbinding van dat onderzoek met het beroepenveld en het onderwijs, en de omgeving van de HAN reageert met respect en vertrouwen op wat u doet en op het niveau van de studenten die u aflevert.
Er zou dus voldoende reden kunnen zijn om eens even achterover te leunen en te genieten van uw prestaties. Dat moet u zeker doen, maar niet al te lang. Want daarom ben ik met zoveel plezier gekomen: ik wil u oproepen om het nog beter te doen! En ik wil u als HAN-gemeenschap oproepen om dat in gezamenlijkheid te doen: docenten, studenten, administratief en technisch personeel, management, werkgevers en overheden. Ik ga die oproep doen vanuit mijn overtuiging dat hogescholen de opleidingenmotor van Nederland zijn en dat die verantwoordelijkheid tot verplichtingen leidt voor allen die aan de hogescholen werken, daar studeren en daar mee te maken hebben.
Waarom deze oproep? Ik hoef u niets meer te vertellen over de kenniseconomie, de noodzaak om zoveel mogelijk jongeren hoger onderwijs te laten volgen, over het belang van goed onderwijs voor alle facetten van de Nederlandse samenleving. Dat soort verhalen kent u en daarmee bent u soms doodgegooid. Ik hoef u ook niets te vertellen over de klachten over ons onderwijs, de gebrekkige reken- en taalvaardigheden, de doorgeschoten aandacht voor vaardigheden ten detrimente van de kennis en over de grote uitval. En ik hoef u al helemaal niets te vertellen over de grote aantallen studenten, hun ambities of gebrek daaraan, en de bagage waarmee zij naar de hogescholen komen; noch over de toegenomen taken en verwachtingen die aan de hogescholen worden gesteld.
Dames en heren, hogescholen hebben een uiterst veelzijdige opdracht, die bovendien in de laatste paar jaren in hoog tempo gecompliceerder is geworden. De hier in deze zaal aanwezigen van mijn leeftijd en zelfs nog iets jongeren, herinneren zich zonder twijfel het enorme aantal instellingen dat in de jaren zeventig en tachtig hoger beroepsonderwijs aanbood. Sommige instellingen deden dat vol overtuiging en met goede resultaten, andere ontstegen het niveau van het secundair onderwijs maar net. De schaalvergroting die in 1986 via de STC-operatie zijn beslag kreeg was absoluut noodzakelijk om het gemiddelde niveau van de hogescholen omhoog te halen en voldoende bestuurlijke en financiële armslag te ontwikkelen.
Vijf ontwikkelingen
Maar sinds die tijd is er heel veel gebeurd. De hogescholen ontwikkelden zich in de eerste plaats tot een sterke, zelfbewuste tak in het hoger onderwijs met sterke merken in opleidingen: de HTS'en, de pabo's, de HEAO's hadden een goede naam en werden zeer gewaardeerd om de kwaliteit van de afgestudeerden. Merkwaardig genoeg heeft de introductie van het bachelor mastersysteem daar afbreuk aan gedaan. De afgestudeerden komen nu bijvoorbeeld niet meer van de HTS, maar van de faculteit of academie "of Engineering" van een hogeschool. Ze zijn bovendien geen HTS-er meer, maar een Bachelor of Engineering. En een bachelor lijkt door een grote groep studenten eerder als een tussengraad te worden beschouwd dan als een eindgraad met zeer goede vooruitzichten!
In de tweede plaats zijn de hogescholen overstroomd door studenten. In twintig jaar tijd heeft een verdubbeling van het aantal plaatsgevonden en het is op zichzelf een enorme prestatie dat de hogescholen dit aantal studenten hebben weten te accommoderen zonder dat er een dramatisch niveauverlies heeft plaatsgevonden.
Ten derde is de diversiteit van de studentenpopulatie geweldig toegenomen: jonge havisten, jonge vwo-ers, mbo-ers, autochtone Nederlanders, allochtone Nederlanders, voltijders, deeltijders, degenen die werken en studeren willen combineren, ouderen, levenslang lerenden, post-hbo-studenten, buitenlanders: al deze verschillende groepen, met verschillende voorkennis, met verschillende ambities en verwachtingen, zijn de hogescholen binnengekomen. En het besef dringt steeds meer door dat onze sterk eenduidige opvattingen over leren en lesgeven onvoldoende recht doen aan deze diversiteit.
Daarnaast is het werkveld gaan vragen om andere typen opgeleiden en dat is niet vreemd. Waar de nadruk in het onderwijs heel lang heeft gelegen op kennisoverdracht, bleken veel afgestudeerden in allerlei beroepen onvoldoende in staat om in te spelen op de grote technologische en maatschappelijke veranderingen die zich in hun loopbaan en in hun beroep voordeden. Flexibilisering en competenties, het in staat zijn mee te gaan in veranderingen, werden de nieuwe buzz-woorden en dat heeft geleid tot een (achteraf gezien te grote) paradigma-shift in het onderwijs: vaardigheden en attitude leken een zelfde aandacht te moeten krijgen als pure kennisontwikkeling.
En in de vijfde plaats hebben de hogescholen nieuwe ambities ontwikkeld, te weten het doen van onderzoek, het aanbieden van eigen masteropleidingen en een benaming van titels en graden die duidelijk zou moeten maken dat hogescholen niet minder waren dan universiteiten, maar hooguit anders. Sommigen, vooral in universitaire kringen, hebben dit beschouwd als "academic drift" en wensten (en wellicht wensen ze dat nog steeds) deze ontwikkelingen tegen te gaan. Ik beschouw het echter eerder als een noodzakelijk antwoord op de veranderde vragen aan de hogescholen, op de diversiteit van de studentenpopulatie en op de toegenomen vraag naar langer leren.
Begrijp mij niet verkeerd, ik ben géén voorstander van het opheffen van het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen. Dat onderscheid is reëel, realistisch, duidelijk, maar moet niet in beton gegoten worden. Zoals een universitair opgeleide niet louter een reflectieve onderzoeker is, zo is een hbo-opgeleide niet louter een praktische doener. Beiden kunnen niet zonder reflectie, zonder een onderzoekende en nieuwsgierige houding; beiden kunnen ook niet zonder beroepsvaardigheden en een praktische, probleemoplossende houding. En bovendien is ieder van ons in staat om wetenschappelijke opleidingen te noemen met grote praktische beroepsgerichte componenten en beroepsgerichte opleidingen waarin kritische reflectie en onderzoeksvaardigheden noodzakelijke componenten zijn.
Maar het is eveneens duidelijk dat de initiële oriëntatie van de opleidingen anders is, dat het onderzoek anders georiënteerd is en dat studenten en docenten ook verschillend zijn. Dat betekent echter in genen dele dat het bo daarmee minderwaardig zou zijn! Beroepsgerichte opleidingen voorzien in een zeer grote behoefte, de werkgevers zijn zeer te spreken over de hbo-abituriënten en de positie van de hogescholen in de kennisketen is onomstreden. Het verbaast mij dan ook steeds weer dat hogescholen meer moeite lijken te doen om te vertellen wat ze allemaal nog niet kunnen in vergelijking tot de universiteiten, in plaats van met veel zelfbewustzijn uit te dragen wat zij presteren en waar zij garant voor staan. Ik snap dit zelfbeklag vanuit politieke redenen, maar het doet zo Calimero-achtig aan en werkt ook in de eigen richting eerder deprimerend dan stimulerend!
Verplichte kost
Zoals ik in mijn inleiding al heb aangekondigd, vind ik wel dat een aantal zaken nog beter zou moeten. Ik verwijs voor de noodzaak daartoe naar de onlangs gepubliceerde studie "10 jaar patronen en trends in ‘student satisfaction in Nederland': een analyse van oordelen uit de Keuzegidsenquête en de Nationale Studentenenquête, 1996-2005", die wat mij betreft verplichte kost zou dienen te zijn voor bestuurders, docenten en studenten die mee willen werken aan kwaliteitsverbetering.
Met alle slagen om de arm die denkbaar zijn, hecht ik veel waarde aan studentenoordelen en met name aan de trends in die oordelen. De analyse laat zien dat de waardering van hbo-studenten voor hun opleiding de afgelopen tien jaar is gedaald, terwijl die in het wo steeg! Ook de beoordeling van de samenhang in de programma's is afgenomen, de waardering voor de beschikbaarheid en aanspreekbaarheid van docenten eveneens, net als de waardering voor de onderwijsorganisatie, met name rond roosters en tentamens, en zeker die voor de mediatheek en computers.
Daar staan ook een aantal neutrale en één of twee positieve trends tegenover, maar de teneur is duidelijk: het hbo komt op verdere achterstand ten opzichte van het wo! De schrijvers van de studie verbinden aan de analyse van de algemene trends en die van de disciplines een aantal conclusies en discussiepunten. Conclusies 2 en 3 zijn voor het hbo buitengewoon relevant:
Conclusie 2: studenten in het wo zijn systematisch positiever over hun opleiding dan studenten in het hbo. Dit verschil neemt toe.
Conclusie 3: hbo-studenten vinden hun opleiding wel redelijk praktisch en studeerbaar, maar inhoudelijk minder interessant. Ook is er kritiek op de gebouwen en faciliteiten. De kritiek nam recent sterk toe.
Volgens de auteurs zijn er als verklaring voor de teruglopende tevredenheid onder de studenten in het hbo werkelijk meer knelpunten ontstaan, onder meer door fusies, bezuinigingen en reorganisaties.
De lat hoger leggen
Dames en heren, hoe passen deze analyses en conclusies in de wijze waarop het hbo zich in de komende jaren zou moeten ontwikkelen? In de eerste plaats is het voor mij duidelijk dat de lat in de hbo-opleidingen omhoog zal moeten. Zowel in diepgang als in studie-inspanning mag door de opleidingen meer van de studenten worden gevraagd. Maar, zo voeg ik er meteen aan toe, een dergelijke uitdaging zal gepaard moeten gaan met enkele andere bewegingen die studenten in staat moeten stellen om aan de hogere eisen te voldoen. Naar mijn mening dienen daarbij drie zaken goed bekeken te worden.
Ten eerste de wijze waarop de studenten zich gekend weten in hun opleidingen. De negatieve gevolgen van grootschaligheid moeten ongedaan gemaakt worden door kleinschaliger organisatie-eenheden te creëren (als voorbeeld wijs ik op de wijze waarop de Universiteit Utrecht de 500 eerstejaars psychologiestudenten in vijf colleges van elk 100 studenten heeft ingedeeld), waardoor de binding tussen de opleiding, in casu de docenten, en de studenten wordt versterkt. Dat moet de door velen als "anonimiteit" en "nummer" gevreesde negatieve ervaring helpen voorkomen.
Ten tweede moet de voorlichting naar aankomende studenten worden verbeterd. Te veel studenten haken af omdat zij een onjuist beeld van de opleiding hebben. Vergissen is uiteraard menselijk, maar er zit te veel reclame en werving in plaats van objectiviteit in de voorlichting door opleidingen en instellingen. Daarbij gaat het ook om een realistisch beeld van de moeilijkheidsgraad van een opleiding en de eventuele deficiënties die vóór de start van de opleiding moeten zijn weggewerkt. Daar staat tegenover dat studenten soms wel erg weinig moeite doen om zich een realistisch beeld van een opleiding te verwerven. De door minister Plasterk voorgestelde entreegesprekken zijn wat mij betreft een uitstekend voorstel en kunnen ook zorgen voor een grotere binding tussen de opleiding en haar studenten.
Als derde maatregel wijs ik op de noodzaak van een goed functionerende studiebegeleiding en structuur in de opleiding. Het is een farce te veronderstellen dat 17- en 18-jarigen geheel op eigen kracht kunnen leren hoe zij voor hen nieuwe en mogelijk ontoegankelijke stof kunnen verwerken. Daarvoor is hulp nodig, zowel door middel van een fatsoenlijk aantal contacturen als door middel van een actieve studiebegeleiding.
Mijn oproep om de lat hoger te leggen kan op een aantal manieren worden uitgevoerd. Natuurlijk gaat het om de moeilijkheidsgraad van de stof, zowel naar inhoud als naar presentatie. Waarom toch zo veel gebruik maken van readers, waarom van zo veel louter Nederlandse literatuur? Waarom zouden we geen boeken en artikelen meer laten lezen, terwijl het juist zo nuttig is om te zien hoe een redenering wordt opgebouwd, mèt een probleemstelling, een analyse of een presentatie van gegevens, en een gemotiveerde conclusie? Waarom toch aan de ene kant dat "pamperen", terwijl een opleiding ook een instrumentarium moet aanleren om in de beroepsuitoefening een zekere mate van zelfstandigheid te kunnen ontwikkelen. Het ontwikkelen van zelfstandigheid is echter iets anders dan "extensivering", wat weer iets anders is dan "aan het lot overlaten".
Consequenties voor docenten
Het hoger leggen van de lat heeft ook consequenties voor de docenten zelf. De inhoud van het programma dient degelijk en actueel te zijn, en op een uitdagende manier vorm te worden gegeven. Dat vergt nogal wat van de professionalisering van de hbo-docent die zowel disciplinaire ontwikkelingen als de ontwikkelingen in het beroepenveld in zijn onderwijs moet opnemen. En hier wordt ook het belang van praktijkgeoriënteerd onderzoek duidelijk voor het onderwijs. Dat onderzoek moet immers laten zien welke innovaties in de beroepsontwikkeling mogelijk zijn, hoe de kwaliteit van de beroepsuitoefening kan worden versterkt en op welke wijze het onderwijs rekening kan houden met de nieuwste inzichten verkregen door onderzoek en de ontwikkelingen in het beroepenveld.
Onderschat niet hoeveel moeite het opzetten van dit praktijkgeoriënteerd onderzoek kost! De afgelopen jaren hebben bewezen dat veel investeringen in menskracht en faciliteiten nodig zijn om kwalitatief goed onderzoek van de grond te tillen en resultaten te bereiken. Het blijkt te gaan om lange adem en om consistente keuzes te maken. De opeenvolgende evaluaties van het functioneren van de lectoraten hebben laten zien waar de moeilijkheden liggen en waar inmiddels good practices tot ontwikkeling zijn gekomen.
Van docenten mag worden verwacht dat zij niet alleen hun vak bijhouden, maar dat zij (althans zeker voor een deel) boven de stof staan. Vanuit dat perspectief ben ik een groot voorstander van de prestatieafspraken die door de HBO-raad en de minister zijn gemaakt: het aantal docenten met een masterdiploma moet in 2014 tot 70 procent van het totaal aantal docenten zijn toegenomen en bovendien moet 10 procent van de docenten in 2017 zijn gepromoveerd. Dat is een buitengewoon grote opgave en plaatst de instellingen voor de noodzaak een goed HRM-beleid te ontwikkelen (gericht op instroom, doorstroom, en uitstroom).
Belangrijker nog dan dat moet er de bereidheid zijn van een groot deel van de docenten te investeren in zichzelf, en het prachtige ideaal van "levenslang leren" in eerste instantie op zichzelf toe te gaan passen.
Een derde belangrijke prioriteit voor de komende jaren lijkt mij de aandacht voor de "kleine kwaliteit". Het is zó opvallend dat zo veel klachten van studenten in het hoger onderwijs betrekking hebben op organisatorische en administratieve zaken. Het tijdig nakijken van tentamens, verroostering, uitval van lesuren, beschikbaarheid van faciliteiten, het zijn evenzo vele zaken die elk op zich wel eens fout kunnen lopen, maar die voor studenten ongelofelijk vervelend zijn en die weerslag hebben op de opvattingen van de publieke opinie. Het hoger onderwijs is de laatste tientallen jaren zo gedemocratiseerd dat ieder in zijn familie wel een deelnemer aan het hoger onderwijs heeft, en helaas heeft onze samenleving meer oog voor incidenten en dingen die niet goed gaan dan voor al die zaken waar dag in dag uit degelijke prestaties worden geleverd.
Een vierde prioriteit leg ik bij "diversiteit". Ik heb er in het begin van mijn betoog al op gewezen dat de diversiteit van de studentenpopulatie in de afgelopen decennia zeer is toegenomen. De hogescholen, veel meer dan de universiteiten, zijn in de studentenpopulatie een afspiegeling van de bevolking geworden: de autochtone jonge havist was in de jaren '80 het prototype van de hogeschoolstudent, nu gaat het om een veelkleurige multiculturele studentenpopulatie met diverse vooropleidingen, achtergronden en belangstellingen.
Het is niet vanzelfsprekend - sterker nog, het is onwaarschijnlijk - dat de op basis van onderwijskundige inzichten ontwikkelde opleidingsmethoden voor ieder van deze diversiteit aan studenten goed werkt. En het kan dus geen kwaad na te gaan of die prachtige, maar tegelijkertijd ook theoretische concepten, in de praktijk zo blijken te werken als de bedenkers ervan met alle goede bedoelingen beoogden. Ik heb het dus niet over de diversiteit die de goede studenten extra kansen biedt door bijvoorbeeld honours classes; nee, ik heb het over een veel basaler diversiteit, namelijk de verscheidenheid in leer- en ook in lesstijlen!
De laatste prioriteit, dames en heren, leg ik bij de internationalisering. Die is voor onze toekomstige beroepsbevolking onontbeerlijk. Wij zijn immers geen autarkisch land, maar moeten het hebben van contacten en handel. Ik verbaas me vaak over de eenzijdigheid van het Nederlandse internationaliseringsbeleid: dat lijkt eenzijdig gericht op het naar Nederland halen van studenten en promovendi. Volgens mij is het echter minstens zo belangrijk onze eigen studenten een periode van minimaal drie maanden in het buitenland te laten doorbrengen en ik zou de HAN en alle opleidingen willen oproepen om een serieus buitenlandaanbod te ontwikkelen, met name in Europa, en daarbij een keuze te maken voor die landen en instellingen die zelf ook veel werk maken van de borging en verbetering van hun kwaliteit.
Dames en heren, ik rond af. Veel opleidingen in het Nederlandse hoger onderwijs voldoen aan de internationaal vereiste basiskwaliteit. Veel opleidingen van de HAN voldoen daar zelfs ruimschoots aan. Dat is een prestatie van formaat. Tegelijkertijd kunnen we er niet omheen dat veel studenten de eindstreep niet halen. Dat kan natuurlijk aan die studenten zelf liggen, maar er zitten ook nog voldoende punten van verbetering in ons onderwijs zelf.
Ik zou de HAN-gemeenschap willen oproepen de uidaging op te nemen het onderwijs verder te verbeteren: meer diepgang, een goede studentenbegeleiding, oog voor diversiteit en internationalisering zijn thema's om verder aan te werken. Dat vergt van velen een inspanning, maar vooral van docenten: de durf om de lat hoger te leggen, maar daar ook zelf de consequenties aan te verbinden voor professionalisering, scholing, inzet en een kritische houding ten opzichte van zichzelf en van de collega's. De trots op het leraarschap als ambacht moet dus worden uitgedragen en duidelijk zichtbaar voor collega's, studenten en de samenleving worden omgezet in daden. Dat zou het onderwijs geweldig vooruit kunnen helpen!
